EEN VLOEK UIT KYGYZSTAN
(verschijnt september 2013)
Hieronder een (copyright-protected) stuk uit het begin van het boek:
Terwijl mijn man Inno aan een touwtje de lucht in ging, werd bij ons thuis ingebroken. En daardoor zouden we op die vervloekte zaterdag in mei 2009 inspecteur Elke Boorhuis leren kennen. Waarom vervloekt? Omdat zij me op die dag de rampspoed kwam bezorgen die ik tien jaar eerder zevenduizend kilometer verderop had achtergelaten. Maar nu heb ik al zoveel dingen opgenoemd dat ik beter terug kan gaan naar het begin.
Het begin, wat is dat? Ik zou kunnen teruggaan naar mijn eerste ontmoeting met Inno, tien jaar terug in Kirgizië ofwel Kyrgyzstan, mijn bloedige geboorteland. Of verder terug naar mijn ontvoering te paard uit het tentendorp bij Barskoon, die zou uitmonden in de vloek die de rest van mijn leven wilde tiranniseren. Of moet ik echt helemaal terug naar die zwarte dag in Naryn, waarop ik zowel wees als adoptiekind werd? Het duizelt mij minstens zoveel als u. Laat ik het daarom maar even bij Inno en zijn touwtje houden.
Ik had het druk genoeg met hem en hij met zichzelf. Trots had hij me aangekeken vlak voor de lier aan de overkant van het Brabantse weiland hem met instructeur en al omhoog hees. Het was tandem-paragliden en vlak vóór hen was een duo eerloos door de modder getrokken tot het touwtje brak. De beginner had een begrijpelijke fout gemaakt: zij was met rennen gestopt op het moment dat haar benen de grond niet meer raakten. En bij een kleine daling tijdens het opstijgen ging het dan meteen mis: ze had eruit gezien als een varken dat in een Kirgizische turfpoel gevallen is. Inno, die dezelfde fout maakte, kwam ermee weg.
In de lucht stelde hij zich weer eens aan: al tijdens het opstijgen sloegen de armen uit als mallotige vogelwieken. Dit was een droom van hem. ‘Me één met God voelen’ had hij het genoemd. Snel omhoog gingen ze in het grijze blauw. Ik geneerde me tegenover de instructeurs, de hulpjes, de beginners en hun familieleden. Iedereen richtte zijn aandacht op mijn man en er werden grapjes over gemaakt: of hij nu een loop-, een zang- of een spotvogel was? Ik meende dat ik iemand hoorde zeggen: ‘Beter één vogel in de lucht dan tien op de grond.’ En iemand anders hoopte dat hij geen schijtlijster zou zijn.
Met één Kirgizische blik stopte ik het gekrakeel achter me.
En toen was er iets mis: ze dreven verder naar links dan eerdere tandems en er ontstond onrust bij deskundigen op de grond. Niet dat iemand wist wat er aan de hand was…
‘Hij is niet in gevaar,’ zei men tegen mij. En: ‘Hij zal zo wel naar beneden komen.’
Was dat goed? De wieken van de vrije vogel hadden allang plaats gemaakt voor woest getrappel van paniekbenen.
De daling werd beheerst ingezet en het viel allemaal nogal mee: een halve minuut later beschreef Inno een cirkel over onze hoofden, om tamelijk netjes in het gras te landen. Ik rende enthousiast naar hem toe, zoals het een goede echtgenote past.
‘Het touw was om mijn voet geslagen!’ riep hij. ‘En de pen zat vast!’
‘We waren niet echt in gevaar,’ verduidelijkte de instructeur. ‘En uw man heeft het touw gelukkig los gekregen.’
‘Goed van je, schat!’ Ik probeerde Inno’s trillen niet te zien.
‘We gaan nóg een keer de lucht in!’ zei de instructeur. ‘We kwamen veel te snel naar beneden.’
‘Goed dat het niet nóg sneller was,’ zei ik, maar dat werd niet op prijs gesteld.
Ik maakte plaats voor een nieuw avontuur, want van de overkant van het weiland kwam een terreinwagentje het uiteinde van het touw al weer brengen.
Ondanks de toegenomen wind ging ook de tweede lancering goed, veranderde mijn man in een raadselachtige roofvogel en moest ik de flauwe grappen achter mij weer smoren. Misschien door de forse kuipstoelen waarin de avonturiers gezeten waren – als bescherming, voor als het eens echt mis zou gaan – bleef Inno’s optreden bij een waanzinnig slechte vogelimitatie, maar komisch was het wel. Toen ik zelf lachte, kwamen de grappen achter mij onmiddellijk weer op gang en werkte mijn vernietigende blik niet meer.
Ik maakte me zorgen over het verhaal dat Inno voor mij mee naar beneden zou brengen. Hij wist dat ik verhalen over geloof niet kon hebben en ook wat de oorzaak daarvan was: de vervloeking door mijn ontvoerder van destijds: Bakyt, een religieuze gek. Maar soms schoot Inno’s begrip tekort of hijzelf dóór, en meestal ging dat samen. Voor mij werd het dan een moeizaam vechten en schipperen tussen zíjn enthousiasme en míjn angsten. Mag een sterke vrouw ook een zwakke plek hebben? Liever niet, maar goed. Ik heb mezelf ook niet gemaakt.
En dit was Inno Eeltman ten voeten uit: ervaringspieken opzoeken, de ogen sluiten en de vrijheid geven aan wat er door dat hoofd spookte. Dat was belangrijk voor zijn geloof. Hier in Moergestel hing vandaag meer in de lucht dan Inno en zijn instructeur. Tijdens zijn eerste vlucht had ik al – heel even toch – gedacht: dat geloof van jou is kwetsbaar, Inno Eeltman, als je steeds dit soort avontuurtjes nodig hebt om het te voeden en te voelen. Het was een gedachte die me al zo vaak was komen bekruipen bij zijn vorige hobby’s: bij het abseilen, bergbeklimmen, bungeejumpen, ballonvaren, floaten en al die andere modeverschijnselen. En nu zou er nog één nacht overheen gaan voor ik gelijk zou krijgen.
‘Za-re-na!!!’ hoorde ik roepen. De vogel had de ogen weer open en zwaaide naar me. Veel van me houden deed hij wel, al tien jaar, sinds zijn fietstocht naar Beijing over de Zijderoute. Met drie vrienden was hij langs ons dorpje, de ail, gekomen en ze hadden halt gehouden, op zoek naar verfrissing na de moeizame tocht langs het meer. Mijn stiefmoeder kwam direct over de mensen uit Gallanda vertellen in de yurt waarin ik me nog steeds schuilhield voor mijn ontvoerder van tien jaar daarvóór, die er blijkbaar meer lol in had om ons daar in angst en vervloeking te laten zitten dan om me opnieuw te komen roven.
Ik heb Inno later eerlijk toegegeven dat ik hoop kreeg op veiligheid in een westers land toen het nieuws doordrong over de buitenlanders op hun moderne fietsen. Maar onze liefde op het eerste gezicht was echt. Pas na een jaar, toen hij me dan eindelijk kwam weghalen, vertelde hij me dat hij direct zichzelf ‘kwijt was geraakt’ in mijn ogen, maar zoiets had ik op datzelfde moment al gemerkt. Dus waren de tien lange jaren van opsluiting met mijn twee boeken, mijn pleegouders en mijn pop Jabyshma misschien niet helemaal voor niets geweest.
Inno had een jaar lang naar mijn zelfgemaakte liefdeshoed kunnen kijken, die ik hem naar goed Kyrgyz gebruik hoopvol had opgezet. Daarna had ik hem in mijn zeven brieven in heel slecht Engels af en toe gewaarschuwd voor de vloek, maar dat gevaar wuifde hij altijd vrolijk weg als iets dat alleen in mijn ‘mooie hoofd’ zat. Blijkbaar zag hij de groene spleetoogjes in mijn bolle toet over het hoofd (of door de vingers). En ook de blauwe ader, die vanaf mijn puberteit de rechterwang doorklieft.
Inno stond weer op zijn benen. ‘Het was geweldig, schaapje!’
Dat schaapje was niet beledigend bedoeld. Het had te maken met de lievelingsdieren uit mijn jeugd. Hij mocht het niet zeggen als iemand anders het hoorde of als hij kwaad was, wat gelukkig niet vaak gebeurde.
‘Ik ben blij voor je, schat.’
De grijsblauwe oogjes in de zware oogkassen glinsterden van genot. Zijn donkerblonde stekeltjeshaar met de diepe inhammen leek door de helm nog korter geworden. Hij was een kop groter dan ik en negen jaar ouder dan die vijfendertig van mij. Even leek het of hij moeite deed zijn verhaal binnen te houden, maar ik wist dat hij het inwendig genot gewoon nog even wilde rekken.
Toen brak het los, toch nog onverwacht: als een tsunami wilde het mij overweldigen. Ik bleef hem vriendelijk aankijken en luisteren, maar de godswoorden probeerde ik dóór me heen te laten gaan, dus ook weer weg! weg! uit me: die kon ik onmogelijk bij me houden! Het waren er ook weer zo verschrikkelijk veel in één keer. Als ik in één minuut zeven keer het woord God hoor, wordt Bakyts vloek actief.
Maar aan tellen kwam ik niet toe. Onder mijn jasje voelde ik Jabyshma. Zij begreep het wel. De pop had hetzelfde meegemaakt als ik, op de ontvoering en de dagen van verkrachting na.
‘Ik wil graag naar huis,’ zei ik.
Hier is de (voorlopige) boektrailer te zien:
UIT DE DUISTERNIS NEERGEDAALD
(verschenen 29 oktober 2012)
Hieronder een (copyright-protected) stuk uit het midden van het boek:
Er was een stalen balk met resten van rode en witte verf, drie meter boven de trap waarop hij stond. Vanaf de balk liepen tralies omhoog die achter een stalen plaat met zware klinknagels verdwenen. Het moest een hek zijn, dat van achter de stalen plaat kon worden neergelaten om de trap af te sluiten. Hij zag dat hij zijn zwarte broek aan had – met vanaf nu uitzicht op een knie – en daarboven een besmeurd iets dat ooit zijn nette gestreepte overhemd was geweest. Gerard Wijkel heette hij en hij stond met een zeer hoofd stil op een stalen trap, God mocht weten waar. Met al dat zware, grauwe metaal kon het goed Duitsland zijn, want hij wist dat hij in Berlijn geweest was. Er klonk een geraas en voorbij de trap verscheen een glimp van een lang, geel ding. Een metro.
Hij bracht een hand naar zijn voorhoofd en voelde dat daar iets zat wat er niet hoorde, iets wat de pijn veroorzaakte. Op zijn overhemd met de rode strepen was ook een andere kleur rood te zien, het rood van geronnen bloed.
Er kwamen mensen aan.
‘Waar is dit?’ vroeg hij. En ook: ‘Wo bin ich?’
De mensen keken hem kort aan en liepen snel door.
Hij ging de trap op en zag bordjes met Hallesches Tor. Het was in ieder geval nog Duitsland. Iedereen staarde naar zijn voorhoofd, hij moest een spiegeltje zien te vinden. De gele metro stond langs het andere perron en boven dit perron hing een bordje dat U1 Krumme Lanke in 3 min aangaf. Tegen iemand die naar zijn voorhoofd staarde zei hij: ‘Was gibt’s zu sehen?’ Maar de mensen waren bang voor hem en vatten zijn vraag verkeerd op. Hij voelde nog eens. Strepen van bloedkorst? Op zijn handen zat geen bloed, de korsten moesten van gisteren of daarvóór zijn, net als hij. Een gek van gisteren.
Er was geen spiegel, maar wel een rood gebouwtje met glas erin en daar liep hij heen om zich dan eindelijk te spiegelen. Op zijn voorhoofd stond een kruisteken! Het moest er met een mes in gekerfd zijn. De pijn werd scherper. Kon hij dit zelf gedaan hebben?
Een oudere man vroeg of alles goed was met hem en hij ontkende het, probeerde uit te leggen dat hij zojuist wakker werd en niet wist hoe hij hier was beland.
‘Mit der U-Bahn vielleicht?’
Gerards geheugen was er nog, maar zijn mobieltje, zijn portefeuille en de CityTourCard niet meer, evenmin als het sleutelpasje van het hotel. Een perronklok gaf even over drieën aan. Hij had niet eens zoveel honger of dorst. Een plattegrond op het perron plaatste hem in Berlijn – toch! – en niet eens ver van zijn hotel vandaan. Hij zocht de route naar de juiste uitgang, op het noorden.
Een krant in een kiosk leerde hem dat het inderdaad één dag later was: dinsdag, 29 juni 2010. Nog maar vijf hele dagen scheidden hem van de tv-show. Een wegvallen van het geheugen was, voor zover hij geïnformeerd was, geen symptoom van schizofrenie, dus waarschijnlijk had iemand hem iets toegediend. Bij de bedrieger die zich voor zijn vader uitgaf, had hij niets gegeten of gedronken.
Door een cirkel van gebouwen liep hij naar het noorden. De stand van de zon klopte met wat hij op de klok had gezien, maar het licht was dat van een vroege ochtend in de herfst. Het gummi van zijn zwarte Ecco schoenen leek elastischer dan ooit en ongewild hadden zijn stappen iets van danspassen. Dwars door het beeld van toeristen en kinderen met ballonnen heen zag hij weer de aanslag in de protestdemonstratie en eerder die op de Hondsrugweg, beelden van een tv-show met Eugénie Stauf en ook was zij te zien, wuivend op het bordes van een paleis met een tuin aangelegd in laagjes, zoals hij gezien had in een foldertje over Potsdam, hier wel een kilometer of twintig, dertig vandaan. Er klopte allemaal geen moer van.
‘Wat is er met me aan de hand?’ zei hij halfluid. Een ouder toeristisch echtpaar hoorde hem.
‘Ach, wat weet een mens?’ zei een van hen, waarschijnlijk in de veronderstelling dat hun landgenoot het grappig-filosofisch bedoeld had. Maar een blik op zijn voorhoofd deed hen snel doorstappen.
Ze hadden gelijk. Met het doorstappen maar ook met die uitspraak. Wat wist een mens eigenlijk? De zintuigen speelden een spel met hun huurder en iedereen was een beetje schizofreen, al viel het bij de een meer op dan bij de ander.
‘Wacht!’ riep hij naar de Nederlanders, maar hun doorstappen werd nu een vluchten.
De hele wetenschap berustte op de aanname dat de zintuigen betrouwbaar waren, maar het enige wat die deden, was uit een mysterieuze pudding van energie prikkels doorgeven aan iets wat men hersenen was gaan noemen. Pas dáár ontstond voor de mens een weergave, met ruimte, kleur, geluiden, geur. Maar die weergave, heel optimistisch werkelijkheid genoemd, was afhankelijk van het type prikkels dat de zintuigen doorgaven. Dezelfde mens die weet dat je met zintuiglijke prikkels proefpersonen compleet voor de gek kunt houden, baseert zijn hele wereld op diezelfde prikkels. Maar met een nieuw type zintuig zal alles meteen anders worden en moet het wereldbeeld acuut herschapen worden.
Dus hoezo ‘werkelijkheid’? Nietzsche en Boehme hadden gelijk gehad: je kon zo door de bodem heen zakken. Het was een wonder dat de werkelijkheid van mens A min of meer overeenstemde met die van mens B. Blijkbaar waren ze beiden geschapen om een overeenstemming te ervaren, om niet al te geïsoleerd en fundamenteel eenzaam te zijn.
Hoe langer hij erover nadacht, hoe meer hij het echt een wonder ging vinden en hoe meer hij ervan overtuigd raakte dat hij iets op het spoor was. Niet echt een Godsbewijs, dat kan niet, maar toch…
Achter hem werd gekucht en hij keek achterom. Het was een soort Hell’s Angel, overtrokken met tatoeages. Gerard versnelde zijn pas, de brede kerel ook. Hij week uit, naar de bloembakken; de kerel net zo goed. Hij zette het op een rennen en de Hell’s Angel riep: ‘Haben Sie etwa Feuer?’, maar kwam hem niet achterna.
Zonder enorme moeite vond hij het hotel – de tweede weg links in de Friedrichstraße. De receptioniste had uitsluitend oog voor zijn voorhoofd en twee keer moest hij melden – ‘Hallo!’ – dat hij zijn sleutelkaartje kwijt was. Zij had wel een belangrijke mededeling: zijn Gattin – Ella, dus toch! – was een half uur geleden aangekomen en kort daarop vertrokken, na op de kamer een bericht te hebben achtergelaten. De receptioniste haalde ook nog een briefje te voorschijn met de naam en het telefoonnummer van Canninga. Natuurlijk!
Hij kreeg een nieuw sleutelkaartje en haastte zich naar boven. Pas achter zijn rug werd gevraagd of het wel met hem ging. Maar nu hoefde dat niet meer. Over het verlies van zijn portefeuille hoefde hij het met de receptie niet te hebben nu Ella ten tonele was verschenen. Maar waar was ze? Naar dat zogenaamde kantoor was een goede optie: dat zou hij in haar geval ook gedaan hebben. Dus dan was ze er nu zelf ook achtergekomen wat voor bedrieglijk wezen zich daar schuilhield. Nou ja, alsof ze zelf zuiver op de graat was. Hij vermoedde dat ze niet uit bezorgdheid gekomen was, maar om te verhinderen dat hij hier achter de waarheid zou komen. Als er zoiets als waarheid bestond.
Zijn agenda lag nog op de kamer, naast de hoteltelefoon. Ella’s ankertje was weer uit zijn koffer vandaan gekomen en lag op de agenda. En op de brief van Steef Mikmans lag het hotelschrijfblokje met daarop: ‘Bel me op mijn mobieltje, Gerard!’
Hij deed het.
‘Ben jij dat, Gerard?’
‘Gelukkig wel.’
‘Ik was doodongerust. Waar zat je nou?’
Hij vertelde over zijn mislukte afspraak met Alex Brandsteker Unter den Linden, de protestdemonstratie waar hij in geduwd was, de moord, het gat in zijn geheugen, de vermiste portefeuille en telefoon en ten slotte ook maar van het kruis op zijn voorhoofd, dat hij nog steeds niet in een echte spiegel gezien had. Pas daarna vroeg hij waar zij eigenlijk uithing.
‘Op dat kantoor, Gerard, dat jij niet kon vinden!’
‘Wat? Ik kom er nu aan,’ zei hij.
In de badkamer nam hij eerst de schade op. Het snijwerk was ongeveer een millimeter diep en redelijk beheerst aangebracht. Voor het grootste deel zaten de twee sneden vol met geronnen bloed en hij had het vermoeden dat het littekens zouden blijven als hij de wonden nu niet liet dichtplakken in een ziekenhuis. Of is het daar al te laat voor? Hij waste losse stukjes korst weg, spoot er voor een verlate ontsmetting wat deo op, depte de schone wonden af en bedekte ze met een serie pleisters uit zijn toilettasje.
Hij moest toegeven dat hij nu toch even heel sterk op zijn zintuigen vertrouwde. Je kunt je als mens succesvol van de jou toegemeten zintuigen bedienen, het beeld dat ze opleveren voorlopig accepteren zodat dingen voorspelbaar worden en bespreekbaar met een ander, die (volgens diezelfde zintuigen) lijkt te bestaan en er net als jij mee kan functioneren. En dan kan alles nog steeds een complete illusie zijn, een collectieve onderwerping aan de dictatuur van het ons toegemeten setje zintuigen, onder de regie van… jawel: God! Niemand zou het als een bewijs aanvaarden, maar als het krachtig genoeg was voor hém, was het al waardevol.
De vreemde kleuren waren ook hierbinnen, maar hij ging er niet in op. Zijn oude, trouwe schizofrenie had hem misschien een beetje op weg geholpen, maar hij moest daar wel paal en perk aan weten te stellen. Hij lachte. Als schizofrenie betekende dat je van de ‘werkelijkheid’ was afgescheiden, moest je misschien wel schizofreen zijn om niet te geloven! Want alleen mensen als hij kenden de grove beperkingen van zintuigen uit ervaring, de rest ging er naïef als een overdadig gesmeerde robot van uit dat alles echt was zoals het leek. De verhoudingen van ‘Wat is wijs?’ lagen andersom. De moderne afscheiding van de geestelijke werkelijkheid was een sterk staaltje van collectieve schizofrenie.
Hij nam geen pil in, hij was niet gek aan het worden. Integendeel.
Boektrailer op Youtube (de meest recente versie)

Schizofrenie verheldert de beperking van de zintuigen is dit zo Clemens’. Als de werkelijkheid niet meer overeenstemt met de werkelijkheid van een ander heb je dan niet een complete illusie en dwaal je niet verder af? Moeilijk…
Mooie, heldere reactie, Chris. Een schizofreen leeft doorgaans niet voortdurend in een andere werkelijkheid, maar bij vlagen. Op de heldere momenten beseft hij/zij dat zijn zintuigen op andere momenten onbetrouwbare informatie doorgeven. Dat is een heel groot probleem bij schizofrenie, dat je niet altijd weet of iets ‘echt’ is. Het is dan niet zo’n grote stap om zich af te vragen of de zintuigen van andere mensen altijd betrouwbare informatie geven. (En dat is ook niet het geval trouwens.) Wijkels ervaring met de onbetrouwbaarheid van zijn eigen zintuigen kan hem op die gedachte brengen.
Wat gaaf dat je dit alvast met ons wilt delen. Ik ben heel erg nieuwsgierig naar de rest van het boek. Het is niet alleen spannend, intrigerend en spiritueel, maar ook heel filosofisch!
(http://www.arte-mi-sia.com)
Ik ben bezig met de laatste revisie van het manuscript, voordat het eind januari naar de uitgever gaat. Hieronder zomaar wat zinnen uit de eerste twee hoofdstukken:
Het moest een genadige opwelling zijn geweest waarin Eugénie Stauf op het laatst van haar venijnige trap de voet strekte, waardoor haar naaldhak de tussendeur van haar penthouse net niet doorboorde. De bal van haar voet dreef de deurklink tot in de muur en dat volstond.
Dat Gerard Wijkel veel harder dan anders de personeelspoort achter zich in het slot gooide had een verpletterend effect op het achterlicht van de fiets die hij aan de linkerhand meevoerde.
De werkelijkheid zakte als een pudding over de plek waar hij stond en de realiteit droop ervan af.
Ik moet vragen of ze mij even naar huis brengen. Of toch maar niet. Ik neem gewoon een andere route. Dan maar al die stoplichten. Vandaag rij ik gewoon door rood.
Zijn genezing was al steeds een lotje uit de psychiatrische loterij genoemd door mensen die rekenden op een terugval.
Hij streelde zijn vrouw in haar hals en probeerde enkele plukken haar goed te leggen, maar alles zat aan elkaar vast met geronnen bloed.
Met de auto onderweg naar het ziekenhuis speelde hij in zijn hoofd de film van de gebeurtenissen af, op zoek – het was een rare gewoonte, maar hij kon het nut ervan aantonen, alleen al om de aandacht subtiel af te leiden van de schokkende beelden – op zoek naar dingen die hij vanavond niet goed gedaan had, steken die hij had laten vallen, kansen die hij faliekant gemist had. Hij kon alleen wat kleinigheden vinden, niet waard om er bij stil te staan.
‘Het is donker … hoe laat is het eigenlijk … wat zie jij eruit … heb je soms weer iemand vermoord? Au!’ Ze had ook niet moeten lachen.
Met beide ogen nu wijd open zag ze waarschijnlijk dat hij heel even niet helemaal eerlijk wilde zijn en dus vertelde hij wat er gebeurd was, behalve van het bidden.
‘Om met die brave apostel Paulus te spreken,’ zei ze, ‘al gaan we uiterlijk ten onder, innerlijk vernieuwen we ons dag na dag. Haha!’
Had ze het over het gebeuren van gisteravond? Ze rook naar een tropisch eiland, misschien met een kampvuur van palmtakken. En haar fluisterende adem had in zijn oor geknisperd.
Van de twee geïnteresseerde uitgevers is er op het laatste moment helaas eentje afgevallen (een christelijke uitgever die het boek niet christelijk genoeg vond), maar de dag erop kwam er weer een bij naar aanleiding van het volgende Twitterbericht:
RT please? Zoek #uitgever met #lef, voor psychol. #thriller met #spiritueel #karakter #onconventioneel #manuscript met goede #kritieken #dtv
Wel eens van ‘de kracht van Twitter’ gehoord?
Dit boek gaat zeker tot nadenken stemmen. Misschien zelfs dwingen …
(http://www.wilhelmina.nu)
Inmiddels zijn er twee uitgevers die interesse lijken te hebben in deze roman. Meer nieuws volgt gauw.
Interessant Clemens, je keuze getuigt van lef. Spannend stuk. Ben benieuwd of het je gaat lukken om van het boek een succes te maken. Zet hem op!
(http://www.missmoneypennyblogs.nl)
Heel leuk gedaan,
Misschien kunt u voor een volgend boek dat u gaat schrijven contact met mij opnemen, zodat we kunnen kijken of de boekentrailer naar een nog hoger niveau kunnen krijgen.
Ik maak zelf boekentrailers, zie youtube link..mischien bevalt dat.
Mvg,
Anilio
Dapper en spannend om hier een fragment van je boek te plaatsen, Clemens.
Het is een behoorlijk spannend stuk!
Vond het wel moeilijk om de draad van het verhaal op te pikken (maar dat zal waarschijnlijk vooral aan het tijdstip liggen dat ik het lees).
Ik vind het heftig geschreven. Het komt binnen.